In juli/augustus 2003 trokken we vier weken door de ‘Maritieme provincies’ van Canada. We vlogen op Toronto in verband met familiebezoek en vandaar trokken we met een gehuurde auto en ons tentje door Québec, New Brunswick, Nova Scotia en New Foundland. Absoluut een streek in Canada die de moeite waard is en zeker de concurrentie met de Rocky Mountains aankan. We zijn al een aantal keren eerder in Canada geweest; van Vancouver tot Montréal en alles wat daar tussen ligt, maar deze streek was voor ons nieuw. In dit reisverslag lees je waar we zijn geweest, wat we hebben gezien en meegemaakt en welke interessante mensen en dieren we hebben ontmoet…. Aan het einde vind je nog wat handige links naar praktische informatie.
Inhoud:
Fundy National Park – New Brunswick
Canada
2003 begon zo ongeveer met het zoeken naar een ‘big yellow bag’. We hadden
vreselijk veel zin om op vakantie te gaan en stonden dan ook te popelen om in
het vliegtuig te stappen. De vlucht
naar Toronto verliep prima, nauwelijks vertraging, voldoende tijd om onze
aansluitende vlucht te halen op Heathrow, zonder daar uren op te hoeven wachten,
heel behoorlijke beenruimte en eten aan boord. Een prima reis dus; je gaat
zitten, leest een boekje en je komt er vanzelf. In Toronto aangekomen werden we
ontvangen met ‘sars-vragenlijsten’ en een rij bij de douane, maar daar waren
we redelijk snel doorheen. Het ophalen van de bagage verliep iets minder soepel:
twee stuks hadden we zo te pakken, maar toen moesten we nog de bewuste ‘big
yellow bag’. Marc had namelijk een nieuwe flightbag gekocht en voor zijn maat
rugzak hadden ze die alleen in fluorescerend geel. Er was iets mis met de
bagageband áchter de schermen’, dus de bagage kwam met horten en stoten. Toen
uiteindelijk alles er was, was er nog steeds geen ‘big yellow bag’. Bij
navraag bleek die nog in Londen te staan (dat hadden we dan net zo lief een
uurtje eerder geweten….). Maar ach, ‘shit happens’ en hoewel we inmiddels
aardig vermoeid werden van het gehang bij de bagageband en het tijdsverschil een
beetje op ging breken, heeft het niet zoveel zin om je druk te maken om dit
soort dingen en bovendien lost zoiets zich altijd vanzelf weer op. Dus we
handelden de formaliteiten af en gingen, gewapend met allerlei papieren en
telefoonnummers, naar buiten. En zo begon de zoektocht, of eigenlijk het wachten
op, de ‘big yellow bag’.
Het
ophalen van de huurauto liep verder soepel. We kregen zelfs een groter model,
nadat Marc onze kampeerplannen had uitgelegd.
We stapten in en lieten Toronto achter ons. Na 2,5 uur waren we in
Kincardine waar we werden opgewacht door tante Fie en oom Toon met zelfgebakken
koekjes en zelfgemaakte wijn. De relaxte sfeer waar je hier in terecht komst
geeft ons altijd het idee dat heerlijk ouder worden moet zijn in Canada.
We
hadden maandag op weg willen gaan richting Québec, maar we waren nog steeds in
afwachting van de ‘big yellow bag’. Nou zijn wij geen mensen die zich al te
druk maken over dit soort dingen, maar het is wel wat onhandig als je maar 4
weken de tijd hebt en staat te popelen om aan je kampeertocht te gaan beginnen.
British Airways had ons gevraagd 24 uur geduld te hebben, maar die waren
inmiddels al 2 keer om en het informatienummer gaf alleen maar een
antwoordapparaat. Dit vertelde ons een paar dagen lang dat ze geen tijd hadden
de telefoon te beantwoorden, omdat ze zoveel bagage te verwerken hadden, maar
dat alles de volgende dag zou worden bezorgd… (welke dag nu werd bedoeld, was
ons niet helemaal duidelijk)… Het koeriersbedrijf was wel te bereiken, leefde
met ons mee, maar had de ‘big yellow bag’nog niet ontvangen en kon ons dus
niet verder helpen. Na het derde telefoontje begonnen ze wat geïrriteerd te
raken. Intussen wel genoten van Kincardine en lake Huron, en natuurlijk van de
Canadese ‘shopping malls’, want we moesten toch het ontbrekende ondergoed
even aanvullen, maar de ‘big yellow bag’ zat wel steeds in ons achterhoofd.
Maandagavond zagen we via internet dat de ‘big yellow bag’ inmiddels in
Toronto was en bij de koerier zou worden afgeleverd. Toch nog maar een keer de
koerier gebeld en afgesproken dat we ‘m zelf zouden komen ophalen.
Dinsdag,
uiteindelijk dus maar een dag later dan gepland, konden we vertrekken. Voor
vertrek werden we nog getrakteerd op een ontbijt met pancakes (waar ome Toon
nota bene om half 6 voor was opgestaan! Nog een dikke ‘hug’ hiervoor!). Nog
even werden we in spanning gelaten om de ‘big yellow bag’. We waren een half
uur te vroeg bij de koerier en ….
er was niemand. Op hoop van zegen maar even een kop koffie gedronken en jawel,
een half uur later liet iemand ons binnen . In een hele grote lege loods stond
helemaal alleen onze ‘big yellow bag’. Snel getekend en meegenomen, nu
konden we echt op reis……
De
eerste dag reden we door naar Québec city, wat we de volgende dag gingen
bekijken. Een heerlijke sfeervolle stad, waar je lekker rond kunt dwalen.
Sommige reisboeken maken de vergelijking met Parijs, maar daarvoor vonden wij Québec
veel te vriendelijk en te weinig mondain. Het is overigens wel een hele
leuke stad met veel franse trekjes. We hebben heerlijk op terrasjes gezeten om
de sfeer te proeven. En de Canadezen zijn zo vriendelijk dat je bij de koffie
gewoon taart van de dessertkaart kunt bestellen, als je daar oer-Hollands gewoon
trek in hebt.
Na
Québec reden we door richting Edmundston (New Brunswick). We kampeerden op een
camping met een heel vriendelijke eigenaar die erg probeerde er iets van te
maken. Hij liet ons enthousiast de
beste plekken zien en was helemaal trots op zijn superverzorgde en schone
sanitair.Jammer dat hij niet kon zorgen dat er wat minder muggen waren. De rest
van de avond vermaakten we ons met het verzinnen van de levensverhalen van de
overige kampeerders. Na een potje kaarten achterin de auto, omdat de muggen echt
te erg waren, gingen we vroeg naar bed.
Fundy
National Park is zonder meer bijzonder. Vooral het gedeelte langs de kust van de
Bay of Fundy. De rest van het park vonden wij wel mooi, maar niet heel speciaal.
Bay of Fundy staat bekend om de enorme getijdenverschillen, tot wel 15 meter.
Wij begonnen bij laag tij aan ‘Herring Cove’. Het strand lijkt hier te
bestaan uit vette rode klei waar je slippers in blijven kleven, met aan de
randen rotspartijen die helemaal zijn behangen met zeewier. We hebben lekker
over de rotsen geklauterd, de grotten en getijdenpoelen bewonderd en de omgeving
op ons in laten werken, al zittend op de rotsen in het zonnetje.
Vanaf Herring Cove start er
een hiking trail langs de kust over de kliffen. We kunnen natuurlijk niet in een
nationaal park zijn geweest zonder een hiking trail te hebben gedaan… Na een
kleine 2 kilometen steil klimmen kwamen we aan bij Matthews Head. Het pad viel
tot dan toe wat tegen, want we hadden gedacht steeds uitzicht over de oceaan te
hebben, maar in plaats daarvan liepen we in een bos. Het kan trouwens ook wel
zijn dat het klimmen ons gewoon wat tegenviel…. Matthews Head was een
verademing: een platte rots met schitterend uitzicht over de baai. Nou zijn wij
best actieve wandelaars, maar vooral ook luie genieters en er was
verder niemand…. Ik weet niet precies hoeveel later, maar ik gok na een half
(?) uurtje, werden we uit onze ‘nap’ opgeschrikt door een gezin uit Montréal.
Zij waren gestart in Pointe Wolf en gingen richting Herring Cove of Alma, dat
wisten ze nog niet precies. Ze liepen gewoon door tot de kinderen moe werden.
We hebben nog een tijdje zitten kletsen, lekker zittend op de rots. Het
leuke van reizen vind ik het ontmoeten van interessante mensen. Een onverwachte
ontmoeting, een spontaan gesprek, vertrouwd gevoel soms zelfs, terwijl je weet
dat je deze mensen waarschijnlijk nooit meer zult zien. Misschien juist wel
omdat je dat weet…
Het
wordt voor ons ook tijd om ons weer eens te activeren en we lopen de verder
schitterende Matthews trail af en vervolgens over de weg terug naar Herring Cove.
Inmiddels zou het hoog tij moeten zijn, dus we lopen het strand nog even op om
te kijken wat het verschil is met vanmorgen. Hoewel je weet dat het water bijna
tot aan de trap moet staan waar je het strand opkomt, ben ik verbaasd als ik het
zie. Ik kijk uit over een watervlakte. De rotsen waar we over hebben gelopen
steken niet eens boven water uit en de plek waar dit ongeveer moet zijn geweest
bevindt zicht tientallen meters van waar nu de vloedlijn is… bizar.
’s
Avonds vermaken we ons met wat je
hoort te doen in een Canadees Nationaal Park: kampvuur maken en barbecuen.
Kamperen in een nationaal park is voor ons nog steeds de ultieme manier van
kamperen in Canada. Marc heeft speciaal een achterlijk groot mes meegenomen, wat
prima geschikt is om hout voor het kampvuur te hakken (of snijden..?). Het
scheermes van Crocodile Dundee is er niets bij. Gelijk een veilig gevoel als er
beren zitten…..
De
volgende dag willen we richting Nova Scotia, maar eerst nog even langs Hopewell
Rocks. Dat ik ’s morgens nog niet al te wakker ben, blijkt wel tijdens het
tandenpoetsen. Ik kijk slaperig in de spiegel, doe de tandpasta op de borstel en
wil m’n tanden gaan poetsen. Nog net op tijd dringt het tot me door dat de
tandpasta geliger is dan normaal en ook anders ruikt… Had ik bijna m’n
tanden met klovenzalf gepoetst. Best goed tegen gaatjes misschien….
Hopewell
Rocks is een sterattractie en moet schitterend zijn. Deze rotsen lijken
eilandjes bij vloed en vallen helemaal droog bij eb. Je kunt er dan omheen
wandelen. ‘You’re walking on the ocean floor’ staat er in de reisboekjes.
We twijfelen of we wel zullen gaan. Toeristische sterattracties zijn niet
altijd aan ons besteed. Het feit dat je entree moet betalen om er bij te kunnen
en dat de gapende, te dikke dame achter de kassa vraagt of we willen lopen of
met de shuttle willen, maakt onze twijfel alleen maar sterker. We besluiten om
te gaan. Op zich hebben we daar geen spijt van, want het is een bijzonder
natuurfenomeen. Ergens is het zonde om er gewoon langs te rijden. Maar al het
bijzondere van de plek wordt weggenomen door het massatoerisme. Ondanks de regen
(de eerste dag slecht weer), stromen de luid pratende, wier vertrappende
toeristen uit de shuttle en dalen massaal de trap af naar het strand. Ze roepen
allemaal dat ze het schitterend vinden, maar ik kan me nauwelijks voorstellen
dat ze er echt van genieten en het weten te waarderen. De vele toeristen en de
grote gele borden met ‘caution’ maken het bovendien onmogelijk om foto’s
te maken. Wij maken natuurlijk zelf evengoed deel uit van de kudde toeristen,
dus de pot verwijt de ketel….. maar het is zonde van zo’n mooi stuk natuur.
Want de Hopewell Rocks zijn zonder meer mooi en bijzonder.
Met een gemend gevoel lopen we door de regen terug. We hadden de rocks
niet willen missen, maar we hadden ze liever wat minder commercieel gezien.
We
rijden door naar Peggy’s Cove in Nova Scotia na nog even een gigantische
supermarkt bezocht te hebben (buitenlandse supermarkten zijn wat ons betreft een
attractie op zich) en naar een visitor center te zijn geweest. We hebben
inmiddels ontdekt dat je hier vaak gratis kunt emailen en internetten. Altijd
handig!
De
camping waar we overnachten in Indian Harbour ligt pal aan de Atlantische
Oceaan. Hiermee hebben we Canada dus van Pacific naar Atlantische Oceaan
doorkruist!
Hoewel
het inmiddels droog is geworden ligt Peggy’s Cove in de mist. Maar op de een
of andere manier hoort het erbij. Peggy’s Cove is een oud vissersdorpje met
een typische vuurtoren op een klif en houten vissershuisjes aan een haventje.
Door de kreeftenvallen, touwen en felgekleurde boeien een paradijs voor de
fotograaf, dus hier vermaken we ons een paar uur mee.
Vanaf
Peggy’s Cove rijden we de Marine Drive langs de Eastern Shore richting
Sherbrook Village. We lunchen typisch engels in een restaurant/art gallery.
Absoluut aan te raden om het eten en de sfeer, als je zin hebt in een beetje
kneuterig.
In
Sherbrook hebben we een camping met
schitterend uitzicht over de rivier. De camping spreekt ons direct aan door de
eigenaar en zijn vrouw. Zeer gastvrij en een goed gevoel voor humor. Het geeft
de camping iets gezelligs en het geeft je het gevoel dat je welkom bent. ’s
Morgens staat er bij de toiletgebouwen een pot verse koffie met daarbij een
bordje dat je koffie kunt pakken als je een donatie wilt doen voor de kosten van
de koffie. Als je geen donatie wilt doen moet je de koffie laten staan. ‘No
donations over $50,-‘ zegt het bord tenslotte…..
Sherbrook
Village is een gerestaureerd stadje in de stijl van de 19e eeuw. De
bewoners zijn gekleed in oude stijl en hebben zich verdiept in o.a. smeden, de
winkel, het maken van drukwerk in die tijd. Ze doen erg hun best om je een
volledig verhaal te vertellen over hun specialiteit. Door het vroege tijdtip is
het niet al te druk, waardoor de bewoners nog meer aandacht voor ons hebben. Of
we hier blij mee zijn is een ander verhaal; bij ieder huisje dat we binnenlopen
lijkt het of we door een infrarood sensor lopen wat een mens activeert die een
standaardverhaaltje gaat opdreunen……
Vandaag
bereiken we Cape Breton. Het lijkt hier echt ‘kreeft area’ te zijn, want ze
hebben hier zelfs McLobster bij de McDonalds! We starten de Cabot Trail vlak
onder het punt waar die officieel begint: in Baddeck. Het eerste stuk vinden wij
niet erg interessant. Het wordt pas leuk als je aan de kust komt, maar dan wordt
het ook écht leuk. In Cheticamp vinden we nog een plekje waar je voor $2,- een
uur kunt internetten/e-mailen (het Arcadisch museum) en dan duiken we het
nationale park in. Hier wordt de route echt schitterend. Plotseling staan er
auto’s lukraak geparkeerd aan beide kanten van de weg. Dat kan in een
nationaal park maar een ding beteken: wild. Gezien de omgeving verwachten we een
hert of een eland, maar tot onze verbazing blijkt het een zwarte
beer te zijn…! Het is zo gaaf om die beesten in het echt te zien. Leuke
bijkomstigheid is dat dit betekent dat we iedere keer dat we in Canada zijn
geweest ook een beer hebben gezien. Daar hadden we deze vakantie niet echt op
gerekend. De beer sukkelt op z’n gemakkie door het gras en ziet er
verraderlijk gemoedelijk uit. Na een paar minuten verdwijnt hij achter de bomen
en daarmee uit het zicht.
De reisboeken hebben niets
teveel gezegd. De Cabot Trail in Cape Breton N.P. is schitterend. Steile
kliffen, mooie uitzichten over zee, een lekker ‘woest’ geheel. We zien zelfs
vanaf de kust een paar pilot whales! In een groep van ongeveer 7 zwemmen ze
langs de kust. Je ziet steeds hun kop en rugvin boven komen. Heel bijzonder dat
je dit vanaf de kust kunt zien! Later gaan we nog echt ‘whale watchen’ in
een Zodiac. We krijgen allebei zo’n charmant
knaloranje floatsuite aan, wat overigens niet helemaal waterdicht blijkt
te zijn. Er staat een aardig windje en lekker wat deining en de boot klappert
lekker op de golven. Ik heb de beste spatplek op de boot en ben in mum van tijd
zeiknat. Marc krijgt op de terugweg de volle laag. Al snel zien we zeehondjes (grey
seals) die nieuwsgierig naar ons kijken en na een tijdje varen langs de kust een
kudde pilot whales. Waanzinnig om er zo dichtbij te zijn. Het liefste zouden we
verder de zee op zijn gegaan om naar de grote jongens op zoek te gaan, maar
daarvoor is de zee helaas te ruw. We hebben bij het boeken van de walvistoer een
kortingsbon gekregen van het ‘Rusty anchor’ restaurant. Aangezien het al 8
uur is en we honger hebben gekregen, besluiten we hier te gaan eten. We
twijfelen nog even of we daar wel aan kunnen komen in onze natte kleren en met
‘coupe zeestorm’, maar we besluiten het er maar op te wagen… We hebben
toch het gevoel dat je in Canada iets minder wordt beoordeeld op je uiterlijk
dan wij gewend zijn. We worden zeer hartelijk ontvangen en ze vragen ons
uitgebreid lachend of we het vooral naar ons zin gehad hebben. Marc bestelt een
‘best of both worlds’: kreeft en krabbepoten. De lokale specialiteit en
absoluut een aanrader. Onderweg
naar de camping krijgen we nog een extra toetje in de vorm van een eland langs
de kant van de weg.
De derde dag in het
nationaal park regent het als we wakker worden en het zal die dag niet meer
droog worden. Het tweede deel van de Cabot Trail rijden we daarom jammer genoeg
in de regen, maar het blijft ondanks dat toch mooi. We kopen postzegels in een
pietepeuterig postkantoortje waar vermoedelijk gemiddeld 1 klant per week komt.
De toonbank is gemaakt van een oud werkblad en het heeft een ieniemienie luikje.
Lekker dat alles prima blijkt te functioneren zonder de moderne snufjes die je
in een land als Canada zou verwachten.
Na enige twijfel in verband
met het slechte weer besluiten we toch naar New Foundland te gaan en daar
krijgen we geen spijt van. Wat een schitterend eiland en we hebben nog mooi weer
ook. In een enquête over New Foundland wordt ons later gevraagd New Foundland
in één woord te omschrijven. Het woord dat Marc te binnen schiet is ‘puur’
en dat klopt absoluut. De natuur is schitterend, ruw, uitgestrekt en nog
onaangetast. Het hele leven en de sfeer is duidelijk beïnvloed door het
isolement van het eiland en het ongetwijfeld niet al te makkelijk leven wat de
mensen hier hebben. De winters zijn lang en de mogelijkheden van het eiland
lijken het leven heel basaal te maken. Dit maakt alles heel relatief. Er is geen
sprake van een ‘rat race’ hier. Het maakt de mensen rustig en vriendelijk en
er zijn relatief weinig toeristen. Gezien de huizen, kleding en auto’s hebben
de mensen ook niet al te veel te besteden. We lijken een stapje terug in de
beschaving te zijn. Deze sfeer, gecombineerd met een omgeving die letterlijk
adembenemend is, maakt New Foundland tot een hoogtepunt van onze reis.
Vanaf de veerboot zien we
helaas geen walvissen. Na aankomst op New Foundland rijden we nog een stukje en
overnachten in een provincial park. Erg mooi gelegen aan een meer en erg
goedkoop ($11,-). Daarna gaan we door naar Gros Morne, een van de nationale
parken waar we voor gekomen zijn. Aan de zuidkant van het park overnachten we op
Trout River Pond. We hebben een gigantische plek met een ‘oprijlaan’ van
25-30 meter. Vanaf het doorgaande pad ziet niemand ons. Trout River is niet meer
dan een gehucht. Gezien de huizen en de kleding van de mensen is het geen rijk
plaatsje. Het is er rustig, een beetje armoedig zelfs en er hangt een aparte
sfeer. De sfeer van een kleine gemeenschap die een groot deel van het jaar op
elkaar zijn aangewezen en nog niet erg op toeristisch zijn ingesteld. De natuur
is hier ook heel apart. Een bijzonder geologisch verschijnsel vormen de
Tablelands, heel bijzonder van kleur en vorm.
Het wordt wel weer tijd
voor een hiking trail. We kiezen de Green Lands en om het niet gelijk te
overdrijven nemen we de korte versie. Dit pad loopt naar een strand wat
bijzonder moet zijn en dat is het ook. Na 1,5 a 2 uur lopen met een fotopauze
voor een moose (eland) komen we aan de kust. Er is een trap zodat je van de hoge
kliffen naar het strand kunt afdalen. Omdat niet veel mensen zin hebben om een
flinke wandeling te maken naar een strand en de zuidkant van Gros Morne toch
niet al te druk is, zijn er bijna geen andere mensen op het strand. Het strand
is van het soort waar je uren gewoon kunt zitten en dat doen we dan ook.
Lavarotsen, uitgeslepen door de zee, grotten, een watervalletje van de klif,
blauwe heldere zee met allerlei kleuren anemonen…. Een spelende nerts en de
zon krijgen we er gratis bij…. Aan het einde van de middag moeten we helaas
terug, want het is nog een aardig stukje klimmen. Als ik hier ooit nog eens kom
dan ga ik hier ‘wilderniskamperen’.
In het noordelijke gedeelte
van het park willen we naar Westbrook lopen. Volgens de reisgidsen het mooiste
fjord van Gros Morne. Je kunt het fjord met een bootje bekijken, maar dit lijkt
ons wat al te toeristisch. Het pad ernaar toe zou echter al schitterende
uitzichten moeten opleveren. Je kunt je de moeite besparen als je een ‘off the
beaten track’ type bent, want het pad loopt 3 km vlak over een boardwalk en is
afgeladen van de toeristen. De omgeving is op zich best mooi, maar van de
fjorden zie je niet veel. We overwegen nog even om dan toch maar het bootje te
nemen, maar bijna $49,- p.p. vinden we toch echt te gek. We lopen dus maar weer
terug en gaan verder.
Shallow Bay is de meest
noordelijke camping in het park. Tot onze verbazing heeft de kust hier een
zandstrand, compleet met duinen en helmgras. Een plekje uit de wind, kont in het
zand, boekje erbij…..helemaal goed….. Nog even pootjebaden en we snappen ook
waarom het hier Shallow Bay heet.
In het uiterste noorden van
New Foundland zijn de resten van een vikingnederzetting uit het jaar 1000. Dat
lijkt ons wel interessant, dus we volgen de Viking trail zo’n 300 km naar het
noorden. Als we bijna bij l’Anse-aux-Meadow zijn worden de wegen smaller en
bochtiger. Ze lopen vlak langs mooie baaien. We zien niet veel van de route,
want alles is gehuld in een dichte mist. Vlak bij het noorden trekt de mist
gelukkig op en in tegenstelling tot het weerbericht wordt het zelfs een zonnige
dag vandaag. We rijden een bocht om en ineens zien we een ijsberg drijven in de
baai voor ons. Het is augustus, okay een beetje mistig ’s morgens, maar de
gemiddelde temperatuur overdag is toch zo’n 20-25 graden en daar drijft gewoon
een ijsberg! Het is net niet echt. Alsof iemand er een piepschuim ding heeft
neergelegd. Maar het is toch echt een echte, een beetje blauw met wit en
waarschijnlijk een stuk kleiner dan die waar de Titanic op gezonken is…
L’Anse-aux-meadow vinden
we allebei een heel bijzondere plek. Met een beetje inlevingsvermogen kun je je
voorstellen dat hier 1000 jaar geleden Vikingen stonden. En wij staan nu op
dezelfde plek…! Wat nou Columbus heeft Amerika ontdekt… deze nederzetting is
voor ons overtuigend bewijs genoeg. De parkwacht (l’Anse-aux-meadow is een
national historic site) is een vriendelijke Newfoundlander en enthousiast dat we
uit Nederland komen. Hij is heel geïnteresseerd en wil van alles weten over
Nederland. De meeste mensen zijn hier trouwens erg vriendelijk en tonen
interesse en hebben tijd voor een praatje. Dezelfde parkwachter verzorgt ook de
gegidste rondleiding. Buiten veel
interessante info over de Vikingen en hun nederzetting, levert dit ook leuke
info op over New Foundland. De meeste interessante informatie
vind je nou eenmaal niet in een reisgids, maar hoor je van de mensen
zelf. Zoals hoe het is om in de winter zeehonden of ijsberen in je tuin te
hebben en ingesneeuwd te zijn, dat ze niet aan watermeters doen en hun huis
verwarmen door hout te stoken wat ze zelf kappen. Een kapvergunning kost $20,-
per jaar, daarmee kun je zoveel hout kappen als je nodig hebt om de winter te
kunnen stoken. Die ijsberen schijn je in de winter trouwens regelmatig te zien
in New Foundland. Zo’n 90 per winter. Ze komen aan met het ijs en zwemmen in
het voorjaar terug!
In Norstad wordt een
vikingnederzetting nagebootst, inclusief nagespeelde Vikingen. Ze spinnen hier
wol zoals de Vikingen dat gedaan moeten hebben (het meisje
geeft lachend toe zelf ook liever een kant-en-klaar gebreide trui te
kopen..) en een nep Viking die speciaal hiervoor zijn haar heeft laten groeien,
leert ons hoe we met een bijl moeten gooien. Er ligt hier een replica van een
vikingboot. Ze hebben de boot gebouwd in Denemarken en hem vervolgens
overgevaren naar New Foundland. Over de oceaan… De boot ziet er schitterend
uit, maar volgens mij moet je best lef hebben om hier mee op de oceaan te gaan
varen. Dat geldt trouwens ook voor die Vikingen 1000 jaar geleden, die niet eens
wisten waar ze uitkwamen en misschien wel van de aarde af konden vallen. We
sluiten deze Vikingdag af met een lekker etentje in het Light Keepers restaurant
op een klif bij St. Anthony, met als toetje uitzicht op een walvis die langs de
kust zwemt. We overnachten in de speeltuin van een RV-park, bij gebrek aan
tentplaatsen.
Vanaf St. Anthony gaan we
nog een walvistour doen. Al snel zien we dolfijnen die een stuk met de boot mee
zwemmen. Wat zijn die beesten snel! Ze stralen enorm veel gratie, energie en
plezier uit. Heerlijk om naar te kijken. Een echte walvis vinden is wat
moeilijker, daar moeten we wat verder voor
varen. Gelukkig zien we er na een tijdje eentje spuiten aan de horizon.
We zien er zelfs één helemaal uit het water springen (breechen). Het is vrij
ver weg, maar een beeld wat ik nog steeds voor me kan zien. Wat een kracht en
vrijheid! Wat geweldig dat we dit kunnen zien! Als we dichter bij komen is de
walvis gewoon aan het zwemmen. We varen er vlak naast. Jammer genoeg laat hij
z’n staart niet zien. Als we er echt dichtbij liggen besluit de schipper dat
het mooi geweest is en vaart hij verder. Hier zijn we ietwat teleurgesteld over,
want we hadden best nog iets langer bij de walvis willen blijven. We varen terug
langs nog een mooie grot, met mooie vogels. Wij vonden de walvis mooier. We
moeten dezelfde weg terug naar het zuiden – dit keer is het helder weer en
hebben we uitzicht op Labrador en ijsbergen – en belanden zo weer in Shallow
Bay.
Dit
keer wagen we ons zelfs in zwembroek en bikini om te gaan zwemmen in de zee. Zo
kunnen we tenminste zeggen dat we in de Bay of St.Lawrence hebben gezwommen. Dit
is dus hetzelfde water waar iets noordelijker de ijsbergen in ronddreven. Het
zal wel komen doordat het een ‘shallow bay’ is, maar het is niet kou (brr).
We maken ’s avonds nog een lekker kampvuur en ik ben duidelijk geen getrainde
Canadees, want ik krijg het voor elkaar om
vier keer een marshmallow in de fik te lagen vliegen.
De
volgende dag besluiten we dat dit de laatste dag op New Foundland wordt. De
oostkant van het eiland bewaren we voor een volgende keer. Als we dat nu nog
willen doen dan wordt het gezien de tijd wel heel erg de ‘American way’. Dan
maar liever op ons gemak terug en niet alleen maar in de auto hoeven zitten. Op
woensdag vertrekt er een nachtboot om 12 uur ’s nachts uit Port-aux-Basques
naar Sydney, waar je dan de volgende ochtend aankomt. Dat komt ons prima uit.
Lekker effe tuttelen bij de tent, op ons gemakkie nog wat in het park rondkijken
en dan rustig aan afzakken naar Port-aux-Basques, 350 km naar het zuiden. In het
visitor center, rond een uur of 1, gaan we even naar huis bellen. Alles gaat
goed met de katten gelukkig. We bellen ook nog even naar de familie in Canada om
te vertellen dat het allemaal goed gaat en dat we van plan zijn een week later
in Oakville aan te komen. We bellen ook nog even naar de ferry maatschappij om
de nachtboot te reserveren. Overal staat dat ‘reservations are required’,
maar op de heenweg hebben we dat ook pas 2 uur van tevoren gedaan. Het gaat er
maar om dat je geregistreerd staat of zo. We hebben destijds niet gelijk de
terugweg gereserveerd, omdat we niet wisten hoelang we precies wilden blijven.
We gaan dus nu maar even bellen, het kan maar geregeld zijn. We krijgen te horen
dat de boot van 12 uur al is volgeboekt, dus vragen we naar de boot van 2 uur
’s nachts of anders die van 7 uur ’s morgens. Tot onze schrik vertelt de
dame van de ferry ons dat alle overtochten tot volgende week dinsdag zijn
volgeboekt! Ai, tegen die tijd moeten we al weer een aardig eind in de buurt van
Ontario zijn, anders gaan we onze vlucht naar huis missen… Er wordt ons
verteld dat er wel met een wachtlijst wordt gewerkt, maar je moet bij de
terminal zijn om daar gebruik van te kunnen maken. Onze enige kans om zo snel
mogelijk een boot naar het vasteland te hebben is dus zo snel mogelijk naar
Port-aux-Basques te rijden.
We
laten de voorgenomen picknick en het rustig afzakken naar het zuiden voor wat
het is en vertrekken in allerijl naar de ferry. We overtreden hier en daar wat
snelheidsbeperkingen en staan krap 3 uur later op de kade. We kunnen aansluiten
in de rij van de ‘waiting list’ (rij 13…). Er staan pas 6 auto’s voor
ons en volgens de vrouw achter het loket geeft dat een goede kans om op de boot
van middernacht te komen. Pff, dat klinkt goed. Afwachten nu maar, als 12 uur
niet lukt, dan zal 2 uur in ieder geval toch wel lukken. We kunnen de auto laten
staan en gaan zelf het stadje in . We hangen hier wat rond en rond etenstijd
gaan we naar de Harbour Restaurant. Niet aan te bevelen overigens, de bediening
is niet geweldig en het eten ook niet. Marc bestelt 24 hot chicken wings, waar
hij minstens 24 uur plezier van heeft… De rij auto’s op de wachtlijst wordt
inmiddels steeds langer. Er staan inmiddels 3 rijen vol. We wachten geduldig,
een boekje lezend, af. Bij het laden van de 12 uur boot wordt het nog even
spannend als ze aan de ‘waiting list rij’ beginnen. Ze tellen de auto’s af
tot een stuk of 3 auto’s achter ons… Pff, we zitten er net op. De rest van
rij 13 en rij 14 en 15 hebben pech, die staan daar nog wel even, denk ik…
Je
kunt naar P.E.I. met de ferry of over een 13 km lange tolbrug. Het maakt niet
uit wat je neemt, je betaalt pas als je weer van het eiland af gaat. De ferry is
dichterbij en het is wel relaxed om niet te veel te hoeven rijden vandaag. Op de
boot hebben we redelijk kunnen slapen in een stoel, maar het is natuurlijk nooit
hetzelfde als een nachtje in je bed. We zijn al zoveel mensen in Canada
tegengekomen die ons hebben aangeraden om naar P.E.I.
te gaan, dat we eigenlijk vinden dat we er geweest moeten zijn. Ondanks
de wel erg lieflijke plaatjes in de reisgidsen. P.E.I. is ontegenzeglijk een
mooi eiland; veel groen, bloemen, gecultiveerd, mooi onderhouden huizen en
tuintjes…. Het is net of we thuis zijn…! Om die reden zijn wij er iets
minder enthousiast over dan de Canadezen, die gewend zijn aan leegte en ruige
natuur, die wij juist weer zo kunnen waarderen. Wat wel heel bijzonder is, is de
rode klei. De onverharde ‘dirt roads’ zijn knalrood en langs de stranden
zijn de rotsen rood. Zelfs het zand op het strand is rood. Dit in combinatie met
groen, bloemen en een blauwe lucht maakt het wel heel mooi. Het is een stuk
drukker op PEI dan in New Foundland. Het national park is meestal een plek waar
je lekker kunt kamperen en waar vooral veel natuurfreaks komen, maar hier niet.
Het national park bestaat hier uit een aantal mooie zandstranden, die zijn
overvol en trekken veel ‘beach people’. Het lijkt Renesse wel! We rijden een
stukje uit de drukte en nemen een iets rustiger, maar nog steeds
beach-sfeer-hebbende camping aan het schitterende brede zandstrand. We passen
ons aan de omgeving aan en pakken nog lekker een paar uurtjes strand.
Omdat
we lekker lui zijn en het mooi weer is nemen we nog een dagje P.E.I., maar dan
aan de zuidkant in een provincial park. Onderweg doen we nog even boodschappen
in Summerside en dit keer kunnen we ze niet weerstaan. De hele vakantie
twijfelen we al of we een paar van die hier zo populaire luie opvouwbare stoelen
zullen kopen, maar we vinden het eigenlijk onzin. We hadden stoelen kunnen
lenen van tante Fie en oom Toon, maar hebben dit aanbod afgeslagen omdat
we vonden dat we best aan de picknicktafels konden zitten die op iedere camping
staan. Straks op de wereldreis kunnen we ook onze luie stoelen niet meenemen.
Maar de stoelen bij deze supermarkt passen wel heel goed bij onze luie bui van
vandaag en vormen bovendien een heel leuk souvenir. Het zijn opvouwbare, riante
fauteuils met drinkbekerhouders in de armleuningen en met een gigantische
Canadavlag erop. We kopen ze en zakken er de rest van de middag lui in weg.
Ik krijg nog een actieve
ingeving en besluit in de zee te gaan zwemmen. Ik trek mijn bikini aan, leg mijn
handdoek en slippers aan de rand van het strand en loop de zee in, klaar om een
lekkere duik te nemen. Het is een lekkere zandbodem, maar wel met van die
plantjes op de bodem die tussen je tenen gaan zitten en af en toe kriebelt er
een krab onder mijn voet. Ik loop stug door, zo meteen neem ik een duik en dan
heb ik er geen last meer van… Na een kwartier stug doorlopen komt het water
nog steeds niet hoger dan mijn knieën en ik word zo langzamerhand gek van die
planten. Ik ga maar terug… in plaats van een actieve zwempartij houd ik het
maar bij een wandelingetje door de zee. Marc valt zowat uit z’n luie stoel van
het lachen. Hmm, ik heb in ieder geval hém vermaakt.
Het
wordt tijd om richting Ontario te gaan rijden. We hebben wel zin in een andere
route, dus we gaan door de V.S. terug. Voordat we bij de grens zijn gaan we nog
even naar het eiland Grand Manan. We hebben nauwelijks overlegd, we weten niet
eens goed wat er te doen is en er hangt een zware mist, maar we rijden naar de
ferry en gaan gewoon. Dit keer zijn we zo slim om de retourvaart voor de
volgende dag te reserveren. We hebben gelezen dat Grand Manan een mooi eiland is
en het ligt middenin een walvissen mekka. Reden genoeg om te gaan. Het mist zo
erg dat we de kade niet eens kunnen zien, maar halverwege de overtocht varen we
ineens de mist uit en zitten we lekker in het zonnetje. De dolfijnen zwemmen een
stukje met ons mee. Op Grand Manan rijden we naar de dichtstbijzijnde camping:
hitw (hole in de wall). Dit blijkt de mooiste camping te zijn waar we ooit zijn
geweest. We hebben cliffsite nummer 9 en dat betekent dat we op nog geen meter
van de rand van een 40 meter hoge klif staan. We staan beschut tussen door de
wind gebogen naaldbomen. Onze plek bestaat eigenlijk uit 3 kleine plekken die
door smalle paadjes met elkaar worden verbonden. Eén voor de tent, door de
opening heb je uitzicht op zee. Eén met een picknicktafel en vuurplaats, dit is
de eetkamer met uitzicht op zee. En een leeg plekje waar we ons installeren in
onze luie stoelen met verrekijker, fotocamera en een bakkie koffie onder
handbereik. Beneden in de zee zwemmen de zeehonden en er komt zelfs een walvis
voorbij zwemmen. Volgens onze camping buren is het zelfs rustig, een paar dagen
geleden waren er een heleboel. Zelfs al zwemt er niks, je kunt hier gewoon uren
over zee uit zitten kijken… ’s Nachts denk ik dat ik een walvis hoor, maar
ik weet het niet helemaal zeker. Ik probeer te luisteren, maar Marc snurkt er
doorheen. …. De buren vertellen de volgende dag dat ze een walvis hebben
gehoord, dus het zal er toch wel een zijn geweest. Vanaf de ferry terug zien we
weer dolfijnen en walvissen.
Nu
moeten we echt weer terug gaan rijden richting Ontario… zucht. We gaan door
Amerika. Deze route is iets korter in kilometers, maar in tijd zal het niet veel
uitmaken, aangezien de wegen wat minder groot zijn. In ieder geval is het anders
dan de heenweg en de route is erg mooi. We rijden door Maine, New Hamshire,
Vermont en New York. Als we in Vermont rijden zit ik op de kaart te kijken hoe
we moeten rijden en mijn blik valt ineens op de ‘Ben & Jerry’s Ice Cream
Factory’. We komen er zowat langs en we zijn gek op dit ijs, dus eigenlijk
moeten we hier wel even langs natuurlijk. Marc heeft nogal last van z’n darmen
en maag. Hij heeft op een bijna lege maag een hele zak wortels gegeten en daar
was zijn spijsvertering het niet zo mee eens… dus niet ideaal voor een
ijsje… De volgende dag, als we langs Ben & Jerry’s komen is het gelukkig
over, dus we rijden er even langs en besluiten uiteindelijk ook de factory tour
te doen. Leuk om te weten waar het ijs vandaan komt. Ze hebben het
fabrieksterrein ook leuk aangekleed met leuke kreten en felle kleuren. (Yo,
drive slow…) Er is zelfs een
flavour grave yard.
We
rijden verder terug door de Adirondack Mountains en stoppen nog even in Lake
Placid. We hebben nog even in de
icehall gestaan waar het ‘sport event of the century’ (volgens de
Amerikanen) heeft plaatsgevonden: de Olympische ijshockey finale tussen Rusland
en Amerika in 1980. We hebben een mooie camping aan Cranberry Lake. Een hele
goede plek om onze laatste kampeernacht door te brengen. Een hele grote plaats,
die doorloopt tot aan het meer, met wel veel bedelende eenden. Met een
gigantisch kampvuur – Marc verbrand ook alle folders die nog in de auto liggen
- besluiten we deze kampeertocht.
Terug
in Oakville zitten we nog twee dagen bij familie om gezellig bij te kletsen en
natuurlijk te barbecuen. En dan zit het er weer op en vliegen we terug naar
huis. We hadden dit nog weken vol kunnen houden en straks kan dat ook! We zitten
vol energie om aan de voorbereidingen van de wereldreis te beginnen. Nu alleen
nog even met een flinke jetlag aan het werk…..
Via
onderstaande links vind je allerlei praktische informatie over reizen door de
Atlantische provincies van Canada:
Nationale
parken:
Zeer
handige en uitgebreide toeristeninformatie over Canada:
Kamperen
buiten de nationale parken:
http://www.campcanada.com/english/index.html
Vliegtickets,
autohuur, e.d.:
http://www.vrijetijd.com/land.namerika.canada.shtml
Veerverbinding
naar New Foundland:
http://www.marine-atlantic.ca/
Informatie
over de streek:
http://www.gov.nf.ca/tourism/welcome/default.htm
http://www.tourismnewbrunswick.ca/Cultures/en-CA/welcome.htm
http://www.explorenewfoundland.com/index.htm
http://www.linkumtours.com/Default.htm